Childstories.org
  • 1
  • Alle sprookjes
    van Grimm
  • 2
  • Gesorteerd op
    leestijd
  • 3
  • Perfect voor
    het voorlezen
Het oude huis
Grimm Märchen

Het oude huis - Sprookje van Hans Christian Andersen

Leestijd voor kinderen: 21 min

In zekere straat stond een oud, overoud huis. Het was bijna driehonderd jaren oud; zoo stond er op den gevel te lezen, waarop het jaartal met tulpen en hopranken aangebracht was. Daar las men geheele verzen in den schrijftrant van den ouden tijd, en boven ieder raam was in het kozijn een gezicht uitgesneden, dat allerlei grimassen maakte. De eene verdieping stak een heel eind buiten de andere uit, en vlak onder het dak was een looden goot met een drakenkop. Het regenwater moest uit den bek komen, maar het liep uit den buik, want er was een lek in de pijp.

Al de andere huizen in de straat waren nog nieuw en mooi, met groote ruiten en gladde muren. Men kon het wel aan hen merken, dat zij niets met het oude huis te doen wilden hebben. Zij dachten misschien wel: «Hoe lang zal dat kavalje nog tot algemeene ergernis in de straat staan? De kroonlijst steekt zoo ver vooruit, dat niemand uit onze ramen kan zien, wat er aan den overkant voorvalt. De trap is zoo breed als die van een kasteel en zoo hoog, alsof zij naar een kerktoren voerde. Het ijzeren hek ziet er uit, als de ingang tot een familiegraf, en koperen knoppen staan er op,—het is waarlijk al te gek!»

Aan den overkant stonden ook nieuwe en nette huizen, en deze dachten er evenals de andere over; maar voor het raam van een daarvan zat een kleine jongen met frissche roode wangen en heldere blauwe kijkers, en dien beviel het oude huis bijzonder goed, zoowel bij zonne- als bij maneschijn. En als hij naar den muur aan den overkant keek, waar de kalk afgevallen was, dan zag hij er de zonderlingste beelden op, juist zooals de straat er vroeger uitgezien had, met bordessen, kroonlijsten en spitse gevels; hij kon soldaten zien met hellebaarden, en dakgoten, die als draken en griffioenen om het huis heenliepen.

Dat was nu juist zoo’n huis om naar te kijken, en daarin woonde een oud man, die een korte leeren broek droeg en een rok met groote koperen knoopen en een pruik, waarvan men wel kon zien, dat het een echte pruik was. Alle ochtenden kwam er een oud man bij hem, die den boel opknapte en boodschappen voor hem deed.

Overigens woonde de grijsaard met zijn korte broek geheel alleen in het oude huis. Somtijds vertoonde hij zich voor de ramen en keek naar buiten, en dan knikte de kleine jongen hem toe, en dan knikte de grijsaard terug, en zoo raakten zij met elkaar bekend, en zoo werden zij vrienden, ofschoon zij elkaar nooit gesproken hadden. Maar dat was immers ook volstrekt niet noodig. De kleine jongen hoorde zijn ouders zeggen: «De oude man daar aan den overkant heeft het heel goed, maar hij is alleen.»

Den volgenden Zondag wikkelde de kleine jongen iets in een stuk papier, ging daarmee voor de huisdeur staan en zei tegen den persoon, die de boodschappen voor den grijsaard deed: «Hoor eens! Wilt ge dit voor mij aan den ouden man aan den overkant geven? Ik heb twee tinnen soldaten; dit is er een van; hij moet dien hebben; want ik weet, dat hij heelemaal alleen is.»

En de oude oppasser zag er vergenoegd uit, knikte en bracht den tinnen soldaat naar het oude huis. Later werd er een boodschap naar den overkant gezonden, of de jongeheer ook lust had, zelf eens een bezoek te komen brengen. En daartoe gaven zijn ouders hem vergunning; en zoo kwam hij in het oude huis.

En de koperen knoppen op de leuning van het bordes blonken veel helderder dan anders: men zou haast gezegd hebben, dat zij om het verwachte bezoek geschuurd waren. En het was precies, alsof de uitgesnedene trompetters, want op de deur waren trompetters uitgesneden, die in tulpen stonden,—uit al hun macht bliezen; hun wangen zagen er veel boller uit dan vroeger. Ja, zij bliezen: Ratata, ratata! De kleine jongen komt! Ratata, ratata!»—En toen ging de deur open. Het geheele voorhuis was met oude portretten behangen, met ridders in harnassen en vrouwen in zijden kleeren; en de harnassen rammelden en de zijden kleeren ruischten!

En toen kwam er een trap; deze liep eerst naar boven en dan weer een klein eindje naar beneden, en dan kwam men op een balkon, dat echter zeer bouwvallig was, met groote gaten en breede reten; hieruit kwam gras te voorschijn; want het geheele balkon, de binnenplaats en de muur waren met zoo veel groen begroeid, dat het er uitzag als een tuin; maar het was slechts een balkon.

Hier stonden oude bloempotten, die gezichten en ezelsooren hadden; maar de bloemen groeiden, zooals het haar goeddacht. In den eenen pot hingen er aan alle kanten anjelieren over, namelijk de bladeren daarvan; en deze zeiden duidelijk verstaanbaar: «De lucht heeft ons gestreeld, de zon heeft ons gekust en ons tegen den Zondag een kleine bloem beloofd, een kleine bloem tegen den Zondag!»

En toen kwamen zij in een kamer, waar de muren met varkensleer behangen waren, en op het varkensleer waren gouden bloemen gedrukt.

«’t Verguldsel moge ras vergaan,
Het varkensleer blijft steeds bestaan!»

zeiden de muren.

En daar stonden stoelen met hooge ruggen, met snijwerk en met armen aan de beide kanten. «Ga zitten!» zeiden zij. «Och, wat kraakt het in mij! Nu zal ik zeker ook jicht krijgen, evenals de oude kast. Jicht in den rug! Foei!»

En toen kwam de kleine jongen in de kamer, waar de oude man zat.

«Dank voor den tinnen soldaat, mijn kleine vriend!» zei de oude man. «En dank daarvoor, dat je eens naar mij toe gekomen bent!»

«Dank, dank!» of «Knap, knap!» zeiden alle meubelen. Er waren er zoo vele, dat zij elkaar bijna in den weg stonden, om den kleinen jongen te zien.

En midden aan den muur hing een schilderij, een mooie dame, die er jeugdig en vroolijk uitzag, maar zoo gekleed was als in den ouden tijd, met poeder in het haar en met kleeren, die stijf uitstonden. Deze zeide noch «dank!» noch «knap!» maar keek met haar vriendelijke oogen op den kleinen jongen neer, die dadelijk aan den ouden man vroeg: «Waar hebt ge die vandaan?»

«Van den uitdrager,» zei de oude man. «Daar hangen altijd vele schilderijen, maar niemand kende ze of bekommerde er zich over, want ze zijn allemaal begraven. Maar vele jaren geleden heb ik haar gekend, en nu is zij al sedert een halve eeuw dood en weg!»

En onder het schilderij hing achter glas een ruiker verwelkte bloemen; deze waren zeker ook een halve eeuw oud, zoo zagen zij er ten minste uit. En de slinger der groote klok ging heen en weer, en de wijzers draaiden in de rondte, en alles in de kamer werd nog ouder; maar niemand merkte het.

«Ze zeggen thuis,» begon de kleine jongen, «dat ge altijd alleen zijt.»

«O,» zeide hij, «de oude gedachten met alles, wat zij met zich mee kunnen voeren, komen en bezoeken mij, en nu kom jij immers ook eens!—Het gaat heel goed met mij!»

En daarop nam hij van een plank tegen den muur een prentenboek; daarin stonden lange optochten, de wonderlijkste rijtuigen, zooals men ze heden ten dage niet meer ziet; soldaten als klaverenboer, en burgers met wapperende vaandels. De kleermakers hadden een vaandel met een schaar, die door twee leeuwen vastgehouden werd, en de schoenmakers een vaandel zonder laars, maar met een arend, die twee koppen had; want bij de schoenmakers moet alles zoo zijn, opdat zij kunnen zeggen: «Dat is een paar!» Dat was eerst een mooi prentenboek!

De oude man ging naar de andere kamer, om wat ingelegde vruchten, appelen en noten te halen. Het was werkelijk heerlijk in het oude huis.

«Ik kan het hier niet uithouden!» zei de tinnen soldaat, die op de kist stond. «Het is hier veel te eenzaam en te somber. Och, als men het huiselijk leven eenmaal heeft leeren kennen, dan kan men aan het leven hier niet gewennen. Ik kan het niet uithouden! De dag duurt mij te lang, maar de avond nog langer; hier is het volstrekt niet zooals bij u aan den overkant, waar uw vader en moeder altijd vergenoegd met elkaar praten, en waar gij en de andere kinderen een oorverdoovend geraas maken.

Och! wat is het bij den ouden man eenzaam! Denkt ge, dat hij zoenen krijgt? Denkt ge, dat hij vriendelijke blikken of een Kerstboom krijgt? Hij krijgt niets dan een graf. Ik kan het hier niet uithouden.»

«Je moet het niet zoo van de sombere zijde beschouwen!» zei de kleine jongen. «Mij komt dat alles bijzonder prettig voor, en al de oude gedachten met datgene, wat zij met zich mee kunnen voeren, komen hier immers een bezoek brengen.»

«Ja, maar die zie ik niet en die ken ik niet!» zei de tinnen soldaat. «Ik kan het hier niet uithouden.»

«Dat moet je toch!» zei de kleine jongen.

De oude man kwam met het vergenoegdste gezicht en met de heerlijkste ingelegde vruchten en appelen en noten; nu dacht de knaap niet meer aan den tinnen soldaat.

Gelukkig en vergenoegd kwam de kleine jongen thuis; en er verliepen dagen en weken; er werd naar het oude huis toe en van het oude huis teruggeknikt; nu ging de kleine jongen weer naar den overkant.

De uitgesneden trompetters bliezen: «Ratata, ratata! Daar is de kleine jongen! Ratata, ratata!» De zwaarden en de wapenrustingen op de oude ridderportretten rammelden en de zijden kleeren ruischten; het varkensleer vertelde, en de oude stoelen hadden jicht in den rug. Dat was alles, evenals de eerste maal, want aan den overkant was de eene dag en het eene uur precies als de andere.

«Ik kan het hier niet langer uithouden!» zei de tinnen soldaat. «Ik heb tin gehuild. Het is hier te somber! Laat mij liever ten strijde trekken en armen en beenen verliezen! Dit is ten minste eens wat anders. Ik kan het hier niet uithouden! Nu weet ik wat het wil zeggen, bezoek te krijgen van zijn oude gedachten en van alles, wat zij met zich mee kunnen voeren. Ik heb een bezoek van de mijne gehad, en ge kunt er zeker van zijn, dat dit op den langen duur niet plezierig is.

Het heeft niet veel gescheeld, of ik was van de kist naar beneden gesprongen. Ik zag u allen in het huis aan den overkant zoo duidelijk, alsof ge werkelijk hier waart. Het was weer Zondagmorgen, wanneer gij, kinderen, allen voor de tafel stondt en den psalm zongt, zooals ge iederen morgen doet. Ge stondt met gevouwen handen, en uw vader en moeder waren even ernstig gestemd; daar ging de deur open, en uw kleine zusje Marie, die nog geen twee jaar oud is en altijd danst, als zij muziek of gezang hoort, van welken aard dit ook wezen moge, werd in de kamer neergezet.

Zij mocht wel is waar niet, maar zij begon toch te dansen; zij kon echter niet goed op haar dreef komen, want de tonen waren te lang uitgerekt, en daarom stond ze eerst op haar ene been en hield haar hoofd voorover; maar het ging niet. Ge bleeft allen heel ernstig, ofschoon ge werk hadt om u goed te houden; maar ik moest bij mij zelf lachen, en daarom viel ik van de tafel naar beneden en kreeg een bult, waarmee ik nog loop; want het was niet goed van mij, dat ik lachte.

Maar dit alles, en alles wat ik verder beleefd heb, komt mij nu weer voor den geest, en dat zijn zeker de oude gedachten met alles, wat zij met zich meevoeren. Zeg mij eens, of ge des Zondags nog zingt? Vertel mij iets van Marie! En hoe gaat het met mijn kameraad, den anderen tinnen soldaat? Ja, die is zeker heel gelukkig!—Ik kan het hier niet meer uithouden!»

«Je bent present gegeven,» zei de knaap, «en je moet hier dus blijven. Zie je dat zelf niet in?»

En de oude man kwam met een kistje, waarin allerlei te zien was: blanketdoosjes en pommadefleschjes, oude kaarten, zoo groot en verguld, als men ze nu niet meer te zien krijgt. Er werden meer kastjes opengedaan, ook het klavier; daarin waren van binnen op het deksel landschappen geschilderd; maar het was schor, toen de oude man er op speelde; toen knikte hij tegen het portret, dat hij bij den uitdrager gekocht had, en de oogen van den ouden man fonkelden daarbij helder.

«Ik wil ten strijde trekken! Ik wil ten strijde trekken!» riep de tinnen soldaat zoo hard, als hij maar kon, en sprong op den vloer neer.

Waar was hij gebleven? De oude man zocht, de kleine jongen zocht: weg was hij en weg bleef hij. «Ik zal hem wel vinden,» zei de oude man; maar hij vond hem niet; de vloer was te open en vol gaten. De tinnen soldaat was door een reet gevallen; daar lag hij nu, als in een open graf.

De dag verliep, en de kleine jongen kwam thuis; en er verliepen verscheidene weken. De ruiten waren heelemaal bevroren, en de kleine jongen moest er op ademen, om een gat te maken, ten einde naar het oude huis te kunnen kijken. Er was sneeuw in alle hoeken gewaaid, en deze bedekte de heele trap, alsof er niemand in huis was. En er was ook niemand in huis: de oude man was gestorven!

’s Avonds hield er een lijkkoets voor de deur stil, en daar zette men zijn doodkist in: hij zou buiten op het land in zijn familiegraf rusten. Daar werd hij nu naar toe gereden; maar niemand volgde zijn lijk; al zijn vrienden waren dood. De kleine jongen wierp de doodkist, toen deze voorbijreed, kushandjes toe.

Eenige dagen daarna werd er verkooping in het oude huis gehouden, en de kleine jongen keek uit zijn raam, hoe men de oude ridders en de oude dames, de bloempotten met de lange ooren, de stoelen en de oude kasten wegdroeg. Het eene ging hierheen, het andere daarheen; haar portret, dat van den uitdrager gekocht was, kwam weer bij den uitdrager te land, en daar bleef het hangen; want niemand bekommerde zich om het oude schilderij.

In het voorjaar brak men het huis af; het was een kavalje, zeiden de menschen. Men kon van de straat vlak in de kamer op het varkensleeren behangsel zien, dat aan stukken gesneden en van den muur afgehaald werd, en het groen van het balkon hing verwilderd om de balken, die met instorting bedreigd werden. En nu werd er opruiming gehouden.

«Dat helpt!» zeiden de naburige huizen.

Er werd een prachtig huis gebouwd met groote ramen en witte, gladde muren; maar voor de plaats, waar het oude huis gestaan had, werd een klein tuintje aangelegd, en tegen den muur van den buurman klommen wilde wijngaardranken op, voor het tuintje kwam een groot ijzeren hek met een ijzeren deur; dat zag er deftig uit. De menschen bleven er voor staan en keken er doorheen.

En de musschen zetten zich bij dozijnen op de wijngaardranken neer en praatten door elkaar, zoo hard als zij maar konden, doch niet over het oude huis, want dat konden zij zich niet meer herinneren; er waren al vele jaren verloopen, zoo veel, dat de kleine jongen tot een man, ja, tot een degelijk man opgegroeid was, waarvan zijn ouders plezier hadden.

Hij was pas getrouwd en had met zijn vrouw het huis betrokken, waarvoor het tuintje zich bevond; en hier stond hij nu naast haar, terwijl zij een veldbloem, die zij heel mooi vond, in een pot zette; zij plantte haar met haar kleine hand en drukte de aarde met haar vingers vast aan. «Ai! Wat was dat?» Zij prikte zich. Boven de weeke aarde stak een zeker puntig voorwerp uit. Dat was begrijp eens! dat was de tinnen soldaat, dezelfde, die bij den ouden man verloren geraakt was, die een geruimen tijd tusschen timmerhout en puin rondgedwaald en nu reeds vele jaren in de aarde gelegen had.

De jonge vrouw veegde den soldaat eerst met een groen blad en toen met haar fijnen zakdoek af; deze gaf een heerlijken geur van zich! En het was den tinnen soldaat juist zoo te moede, alsof hij uit een bezwijming ontwaakte.

«Laat mij hem eens zien!» zei de jonge man, glimlachte en schudde daarop het hoofd. «Die kan het toch wel niet zijn; maar hij doet mij denken aan een geschiedenis met een tinnen soldaat, dien ik gehad heb, toen ik nog een kleine jongen was.» En daarop vertelde hij aan zijn vrouw van het oude huis en den ouden man, en van den tinnen soldaat, die hij hem toegezonden had, omdat hij zoo alleen was, zoodat de tranen de jonge vrouw in de oogen kwamen over het oude huis en den ouden man.

«Het is toch wel mogelijk, dat dit dezelfde tinnen soldaat is!» zeide zij. «Ik zal hem bewaren en denken aan hetgeen je mij verteld hebt; maar het graf van den ouden man moet je mij eens wijzen.»

«Ik weet niet, waar het is,» antwoordde hij, «en dat weet niemand. Al zijn vrienden waren dood; niemand plantte er bloemen op, en ik was destijds immers nog maar een kleine jongen!»

«Ach! Wat zal hij het hier eenzaam gehad hebben!» zeide zij.

«Ja, eenzaam!» zei de tinnen soldaat; «maar heerlijk is het, niet vergeten te worden!»

«Heerlijk!» riep een stem dicht in de nabijheid; maar niemand anders dan de tinnen soldaat zag, dat dit van een stuk van het varkensleeren behangsel kwam, dat nu zonder eenig verguldsel was. Het zag er uit als natte aarde; maar een overtuiging had het toch, en deze sprak het uit:

«’t Verguldsel moge ras vergaan,
Het varkensleer blijft steeds bestaan!»

Maar de tinnen soldaat geloofde dat niet.

Lees nog een kort sprookje (5 min)

LanguagesLearn languages. Double-Tap on one word.Learn languages in context with Childstories.org and Deepl.com.

Informatie voor wetenschappelijke analyse

Kengeta
Waarde
Leesbaarheidsindex door Björnsson40.6
Flesch-Reading-Ease Index58.5
Flesch–Kincaid Grade-Level10.7
Gunning Fog Index13.2
Coleman–Liau Index11.1
SMOG Index12
Geautomatiseerde leesbaarheidsindex11.4
Aantal karakters4.032
Aantal letters3.190
Aantal zinnen31
Aantal woorden698
Gemiddeld aantal woorden per zin22,52
Woorden met meer dan 6 letters126
Percentage lange woorden18.1%
Totaal lettergrepen1.035
Gemiddeld aantal lettergrepen per woord1,48
Woorden met drie lettergrepen75
Percentage woorden met drie lettergrepen10.7%
Vragen, opmerkingen of ervaringsverslagen?

Privacyverklaring.

De beste Sprookjes

Copyright © 2024 -   Over ons | Privacyverklaring |Alle rechten voorbehouden Aangedreven door childstories.org

Keine Internetverbindung


Sie sind nicht mit dem Internet verbunden. Bitte überprüfen Sie Ihre Netzwerkverbindung.


Versuchen Sie Folgendes:


  • 1. Prüfen Sie Ihr Netzwerkkabel, ihren Router oder Ihr Smartphone

  • 2. Aktivieren Sie ihre Mobile Daten -oder WLAN-Verbindung erneut

  • 3. Prüfen Sie das Signal an Ihrem Standort

  • 4. Führen Sie eine Netzwerkdiagnose durch